vision

Fiscale aspecten van cryptovaluta, zoals Bitcoin, Ethereum, Ripple en Litecoin

Gepubliceerd op: 31 januari 2018

Fiscale aspecten van cryptovaluta, zoals Bitcoin, Ethereum, Ripple en Litecoin

Tegenwoordig handelt een groot deel van Nederland in diverse cryptovaluta. In de media wordt ook steeds meer aandacht besteed aan diverse cryptovaluta en de blockchaintechnologie. Op het fiscale gebied is men vaak minder bekend met de behandeling van cryptovaluta. In dit artikel zullen daarom diverse fiscale aspecten worden behandeld, maar eerst zal nog kort worden ingegaan op de werking van cryptovaluta.

1. De werking van cryptovaluta

Cryptovaluta functioneren als digitaal geld, wat het beste te vergelijken is met giraal geld. Het grote verschil tussen de meeste cryptovaluta en andere valuta is dat (de meeste) cryptovaluta gedecentraliseerd zijn. Bijna alle cryptovaluta vallen onder het fiduciaire geld.[1] Dit geld heeft geen onderliggende waarde, zoals bijvoorbeeld de goudvoorraad bij een bank. De waarde van het geld is puur op vertrouwen gebaseerd.

Het in omloop brengen van cryptovaluta gebeurt door gebruikers die aan mining doen. Zij kunnen de geminede cryptovaluta versturen of verkopen. Het netwerk is in feite opgebouwd uit een lange keten van blokken. Hierin zijn alle bevestigde transacties opgenomen en op deze manier wordt voor wallets het saldo berekend. Op deze manier kunnen de transacties ook geverifieerd worden.

Elke transactie wordt opgenomen in de blokketen. Elke wallet heeft een geheime sleutel die wordt gebruikt om de transactie te ondertekenen. Zo wordt verzekerd dat de transactie ook werkelijk van de wallet komt. Alle transacties worden door het netwerk bevestigd, dit netwerk wordt in stand gehouden door het, eerder genoemde, miningproces.

2. Juridische aspecten

In Nederland is al een uitspraak over de behandeling van de Bitcoin. Naar mijn mening kan deze uitspraak parallel worden toegepast op de meeste cryptovaluta.

Een Nederlandse rechtbank heeft in een civiele procedure al geconcludeerd dat de Bitcoin niet onder giraal geld valt, omdat de verbintenisrechtelijke verhouding ontbreekt.[2] In deze rechtbankprocedure wordt ook aangehaald dat de Minister van Financiën van mening is dat de Bitcoin geen wettig betaalmiddel is en het niet onder de Wet financieel toezicht valt.[3] De conclusie van de rechter is dat het beschouwd dient te worden als ruilmiddel.

Hierna zullen enkele artikelen uit de Wet financieel toezicht worden aangehaald, waarom de Bitcoin niet als geld kwalificeert. Geldmiddelen zijn volgens artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht: “geldmiddelen: chartaal geld, giraal geld of elektronisch geld.” De definitie van elektronisch geld is vastgelegd in artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht: “elektronisch geld: geldswaarde die elektronisch of magnetisch is opgeslagen die een vordering op de uitgever vertegenwoordigt, die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten als bedoeld in artikel 4, punt 5, van de richtlijn betaaldiensten[4], en waarmee betalingen kunnen worden verricht aan een andere persoon dan de uitgever.” De kernstukken hierin zijn de elektronische of magnetische opslag en vordering. Aan de opslagmethode zullen cryptovaluta wel voldoen, maar er is geen sprake van een vordering. In veel gevallen worden de cryptovaluta in een eigen wallet(s) beheerd. Dan kan er alleen sprake van vordering en schuld aan jezelf zijn, wat natuurlijk juridisch niet mogelijk is. Naast de invalshoek vanuit de Wet financieel toezicht moet vermeld worden dat Bitcoins als een goed in de zin van het vermogensrecht beschouwd kan worden, zoals blijkt uit artikel 3:6 van het Burgerlijk Wetboek.[5]

Uit de eerder in deze paragraaf aangehaalde uitspraak blijkt dat de Bitcoin ook geen chartaal geld is. Het kan namelijk niet fysiek worden opgenomen uit bijvoorbeeld een geldautomaat en het is niet aangemerkt als wettig betaalmiddel. Er kan gesteld worden dat het inderdaad een ruilmiddel is, omdat de Bitcoin niet voldoet aan de eisen van chartaal geld, giraal geld of elektronisch geld, en zich op die manier diskwalificeert om als geldmiddel te worden aangemerkt. Wel dient opgemerkt te worden dat niet iedereen het met deze uitspraak eens is. [6] Rank stelt dat de Bitcoin geen plek in het huidige civiel recht heeft.[7] Hij maakt het onderscheid tussen ruilmiddelen en geld: een ruilmiddel kun je verbruiken en geld kun je alleen gebruiken. De Bitcoin kan niet verbruikt worden en daarom kan het niet kwalificeren als ruilmiddel.[8]

Daarnaast is het niet aannemelijk dat de Bitcoin als geld aangemerkt gaat worden. Volgens Plooij voldoet de Bitcoin niet aan de drie traditionele functies van geld, namelijk ruilmiddel, oppotmiddel en rekeneenheid. Wat ook heeft meegewogen in dat oordeel is de extreme volatiliteit, het relatief lage niveau van veiligheid en gebruiksgemak en de beperkte acceptatie van de Bitcoin.[9]

2. De behandeling van cryptovaluta in de inkomstenbelasting

In de inkomstenbelasting kennen we verschillende boxen. Actieve inkomsten, zoals loon en winst worden in box 1 belast, in box 2 worden aandelenbelangen van 5% of groter gehouden en in box 3 worden beleggingen belast. Hierna zal de behandeling van cryptovaluta in box 1 en box 3 worden besproken. Box 2 wordt overgeslagen omdat daar vooral dividend en ‘grotere’ aandelenbelangen opkomen en dus minder relevant is met betrekking tot cryptovaluta.

2.1. Cryptovaluta in box 1 (inkomen uit werk en woning)

In de inkomstenbelasting geldt de zogenoemde bronnenleer. Wanneer er geen bron van inkomen is, kan er ook geen inkomstenbelasting worden geheven.

Er zijn drie eisen aan een bron: er dient te worden deelgenomen aan het economische verkeer, met het oogmerk om voordeel te behalen, en het voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn. Aan de eerste eis dient altijd te zijn voldaan om van een inkomensbron te spreken.[10]

De eerste eis is, dat deel dient genomen te worden aan het economisch verkeer. Daarbij is bijvoorbeeld geen sprake wanneer men in de privésfeer handelt.

Het tweede criterium is, dat het oogmerk is om voordeel te behalen. Aan dit criterium wordt bijvoorbeeld niet voldaan wanneer de voordelen niet als inkomen aanvoelen in de maatschappij.

Het derde criterium is, dat het voordeel moet redelijkerwijs te verwachten moet zijn, is vooral van toepassing wanneer een bepaalde activiteit structureel verlieslijdend is. In dat geval zal niet aan het derde criterium worden voldaan. Verder volgt uit de jurisprudentie dat bij puur speculatieve activiteiten geen voordeel is te verwachten.[11] Het is nog de vraag of dit het geval is bij cryptovaluta.

Bij winst uit onderneming zullen aanvullende eisen worden gesteld. Daarbij kan men denken aan: de duurzaamheid en de omvang van de werkzaamheden, de omvang van de investeringen, het debiteurenrisico, het ondernemersrisico, de beschikbare tijd, de bekendheid die naar buiten aan de werkzaamheid wordt gegeven, het aantal opdrachtgevers, de omvang van de omzet, de winstverwachting en dergelijken.[12] Desondanks dat het hebben van een onderneming enkele voordelen heeft (vooral met betrekking tot wat ondernemersaftrek), zal de behandeling van cryptovaluta hetzelfde worden behandeld als bij resultaat uit overige werkzaamheden.

 

Miner

Een miner die uit puur hobbymotief enkele cryptovaluta mined, en deze in zijn wallet bewaard, kan al in box 1 belast worden; er wordt namelijk deelgenomen aan het economisch verkeer (door het ontvangen van transactievergoedingen) en voordeel wordt beoogd. Het kan wel stuklopen op de vraag of het voordeel ook te verwachten valt, wanneer dit niet het geval is dan kunnen de cryptovaluta in box 3 worden belast. Bij puur speculatieve transacties is normaliter geen voordeel te verwachten.[13] Bij de meeste cryptovaluta is sprake van een hoge volatiliteit, daardoor blijft ook de vraag of het voordeel wel redelijkerwijs te verwachten is, in het midden hangen.

Wanneer de miner regelmatig zijn cryptovaluta direct verkoopt na het ontvangst ervan, dan zal het mogelijk wel in box 1 belast zijn omdat het valutarisico wordt beperkt doordat de voorraad cryptovaluta niet lang wordt aangehouden. Daardoor is mogelijk het voordeel wel te verwachten.

 

Handelaar

Doordat een handelaar meestal met een inkoop- en verkoopmarge werkt, zal deze snel voldoen aan de drie bronvereisten. De vraag of het voordeel te verwachten is, wordt beperkt doordat met een marge wordt gewerkt. Gaat de inkoopprijs omhoog, dan zal ook de verkoopprijs stijgen. Wanneer sprake is van bijvoorbeeld een website en zelfs een pand zou sprake van een onderneming kunnen zijn. Wel dient hier als kanttekening te worden geplaatst dat wanneer sprake is van normaal vermogensbeheer de cryptovaluta in box 3 belast zullen zijn. De handelaar waarop hierboven wordt gedoeld, verricht actief arbeid om zo een inkomen te verwerven wat normaal vermogensbeheer te boven gaat.

 

Resultaatbepaling en waardering

Naar mijn mening kunnen de cryptovaluta met betrekking van de waardering vergeleken worden met de posten vorderingen, beleggingen en liquide middelen. Op het gebied van waardering en resultaatsbepaling zijn kenmerken van die posten te herkennen.

Mijn voorkeur zou uitgaan naar een vergelijking met incourante aandelen. Aangezien de winstneming dan kan worden uitgesteld tot realisatie. Vanuit maatschappelijke opvatting zou de waardering als liquide middelen logischer zijn. Echter, zijn de meeste cryptovaluta door de extreme volatiliteit toch anders dan de meeste munteenheden en tevens hebben de meeste cryptovaluta geen onderliggende waarde, waar de meeste munteenheden een goudvoorraad of ander vermogensobject hebben.

Op de fiscale balans wordt in beginsel op de kostprijs gewaardeerd. Dat houdt in dat de waarde in euro’s ten tijde van de aankoop op de balans wordt gezet. Bij de meeste cryptovaluta is sprake van schommelingen in de waarde. Deze hoeven tussentijds niet in het resultaat te worden verwerkt. Pas bij de verkoop van de cryptovaluta zal een eventuele meerwaarde in het resultaat worden opgenomen.[14] Wanneer aansluiting wordt gezocht bij de waardering van incourante aandelen, zal in dat geval ook gewaardeerd mogen worden op lagere marktwaarde, wanneer sprake is van een aanzienlijke waardedaling.[15] Wanneer de lagere marktwaarde niet lager is dan de kostprijs, dan mag geen verlies in aanmerking worden genomen.[16]

Wanneer sprake is van een handelaar in cryptovaluta, dan zullen de cryptovaluta als voorraad zijn aan te merken. Daar geldt dat gewaardeerd mag worden op aanschaffings- of voortbrengingskosten. De voorraad kan worden afgewaardeerd wanneer een prijsdaling op de inkoopmarkt is of de voorraad incourant is geworden.[17] Fiscaal zijn er ook andere stelsels mogelijk, maar vanwege gebrek aan belang specifiek bij cryptovaluta, worden deze niet behandeld.

Ook dient men op te letten dat de cryptovaluta een functie binnen de onderneming hebben. Als de cryptovaluta als belegging dienen voor tijdelijk overtollige middelen, dan kunnen in de ondernemingssfeer blijven.[18] Wanneer de cryptovaluta als duurzaam overtollige middel zijn aan te merken, dan zal sprake zijn van verplicht privévermogen.[19] In de meeste gevallen dienen ze dan in box 3 te worden opgegeven.

2.2. Cryptovaluta in box 3 (inkomen uit sparen en beleggen)

Wanneer cryptovaluta als belegging worden aangehouden, zullen deze dienen te worden opgegeven in box 3. In de inkomstenbelasting dient de waarde van de bezittingen op de peildatum, zijnde 1 januari van elk jaar, te worden opgegeven. Let op dat dit 1 januari om 00:00 uur is, en dus niet elk ander willekeurig moment van die dag. Op basis van de waarde van de cryptovaluta wordt dan een forfaitair rendement, variërend tussen de 2,02% en de 5,38%, belast tegen 30% inkomstenbelasting.

Aangezien cryptovaluta erg onderhevig zijn aan koersschommelingen is niet eenduidig de waarde op 1 januari te bepalen. In de literatuur is betoogd door Putman dat bij de gemiddelde prijs kan worden aangesloten op websites als BitcoinAverage en CoinMarketCap.[20] De waarde van de cryptovaluta kan onder de post ‘overige bezittingen’ worden opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting. Naar mijn mening zal dat met de huidige stand van zaken de meest logische plek zijn.

3. De behandeling van cryptovaluta in de omzetbelasting

Met betrekking tot de omzetbelasting is in 2015 een uitspraak gedaan voor het Hof van Justitie.[21] In dit geval ging het over de Bitcoin, maar mogelijk is dit arrest parallel toe te passen op andere cryptovaluta. Hierna zal toch alsnog de begrippen van de omzetbelasting worden behandeld om meer context te geven bij de uitspraak van het Hof van Justitie.

Verder zal hierna een onderscheid tussen twee situaties goed in het achterhoofd gehouden dienen te worden. De eerste is de ondernemer die zijn klant met cryptovaluta laat betalen en de andere is de miner of handelaar die de cryptovaluta doorverkoopt. De laatstgenoemden vallen namelijk onder de, hierna te behandelen, vrijstelling voor de omzetbelasting.

 

Ondernemerschap

In de Nederlandse Wet op de Omzetbelasting 1968 staan voor het bepalen van ondernemerschap drie begrippen centraal: ieder, bedrijf en zelfstandig. Het begrip ieder wordt gebruikt om ook samenwerkingsverbanden als ondernemer aan te merken en niet elk natuurlijk persoon op zich.[22] Het begrip bedrijf richt zich erop dat er sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid.[23] Het begrip zelfstandig heeft als doel om werknemers in loondienst buiten de omzetbelasting te houden.

Het woord duurzaam dient om de incidentele prestaties buiten de omzetbelasting te houden. [24]

Kapitaal houdt in dat er sprake dient te zijn van een bedrijfsmiddel en arbeid geeft aan dat er ook werkzaamheden verricht dienen te zijn. Ook een zelfstandig uitgeoefend beroep, en de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak, vallen onder een bedrijf.[25]

Aan de kernbegrippen van artikel 7 in de Wet omzetbelasting 1968: ieder, bedrijf en zelfstandig zal is bijna alle gevallen worden voldaan. Daardoor zal vaak sprake zijn van ondernemerschap. Het bedrijf is aanwezig bij de miner, omdat deze met de computer cryptovaluta produceert. Ook hier gaat het alleen om de opbrengsten uit transactievergoedingen. De handelaar zal door middel van het internet, of in ieder geval een computer, handelen. In beide situaties zal ook een vorm van arbeid aanwezig zijn.

 

Dienst of levering

Als eerste dient gekeken te worden naar wat iets een goed of een dienst maakt. In artikel 3, lid 7 van de Wet omzetbelasting 1968 staat: “Goederen zijn alle voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten, alsmede elektriciteit, gas, warmte of koude en dergelijke”. Alles wat niet onder goederen valt, wordt als dienst aangemerkt. Zodoende kan voor omzetbelasting in ieder geval geconcludeerd worden dat sprake is van een dienst.

 

Plaats van prestatie

In artikel 6 van de Wet omzetbelasting is de plaats van dienst vastgelegd. Indien een dienst wordt verricht aan een ondernemer, is de plaats van prestatie de plaats waar die ondernemer gevestigd is, aldus lid 1. Indien een dienst wordt verricht aan iemand anders dan een ondernemer, is de plaats van prestatie de plaats waar de ondernemer die de prestatie verricht gevestigd is, aldus lid 2.

In artikel 6h is de plaats van prestatie voor elektronische diensten vastgelegd. In het geval van levering aan iemand anders dan een ondernemer, dient bij het bestemmingsland omzetbelasting te worden afgedragen. In andere woorden waar de particulier gevestigd is.

 

Maatstaf van heffing

In artikel 8 van de Wet Omzetbelasting is de heffingsmaatstaf vastgelegd. Artikel 8, lid 1 en 2 luiden:

”1.De belasting wordt berekend over de vergoeding.

  1. De vergoeding is het totale bedrag dat – of voor zover de tegenprestatie niet uit een geldsom bestaat, de totale waarde van de tegenprestatie welke – ter zake van de levering of de dienst in rekening wordt gebracht, de omzetbelasting niet daaronder begrepen. Ingeval ter zake van de levering of de dienst meer wordt voldaan dan hetgeen in rekening is gebracht, komt in plaats daarvan in aanmerking hetgeen is voldaan.”

De belasting wordt berekend over de vergoeding of de totale waarde van de tegenprestatie. Indien de vergoeding niet in euro’s is, wordt de totale tegenprestatie als uitgangspunt genomen.

Cryptovaluta zijn mogelijk belast tegen de subjectieve waarde, dit kan gehaald worden uit een arrest van de tariefcommissie uit 1976. In dat arrest wilde de inspecteur de objectieve waarde belasten terwijl de belanghebbende de postzegels slechts kon omwisselen voor 90% van de waarde. De conclusie was dan ook dat over 90% omzetbelasting verschuldigd was. [26] Dit kan ook wel worden aangeduid als de verkoopwaarde. Deze situatie zal vooral spelen als er een klein koersverschil ten opzichte van de prijs in euro’s zit bij bijvoorbeeld de verkoop van een pizza.

 

Wisselkoers

Bij de verkoop van cryptovaluta dient een omrekening naar euro’s gemaakt te worden. Dit kan mogelijk op basis van artikel 8, lid 6 van de Wet omzetbelasting, maar dit is niet zeker, omdat nog niet helder is of de een soort cryptovaluta als munteenheid beschouwd kan worden.[27] Hetgeen wat de toepassing van lid 6 ook lastig maakt, is dat er geen door een centraal overheidsorgaan vastgestelde wisselkoers is. Anders dient aangesloten te worden bij artikel 8, lid 2 van de Wet omzetbelasting en dient de vergoeding op basis van de waarde van tegenprestatie vastgesteld te worden.[28]

Om de waarde vast te stellen, kan naar mijn mening de aanbeveling uit het stuk van Putman gemakshalve worden aangehouden door een gewogen gemiddelde te nemen.[29]

 

Vrijstelling

In het arrest van het Hof van Justitie van 22 oktober 2015 (Hedqvist) stond de vraag centraal of de aan- en verkoop van Bitcoins een BTW-belaste prestatie is. In de uitspraak werd geoordeeld dat deze dienst onder de vrijstelling van art. 135 lid 1 sub e van de Btw-richtlijn valt.[30] In de Nederlandse Wet op de Omzetbelasting 1968 is dat art. 11, lid 1, sub i: de vrijstelling voor betaalmiddelen en effecten.

Dit houdt in dat met betrekking tot de omzetbelasting de Bitcoin wordt gelijkgesteld met andere munteenheden. Andere munteenheden worden namelijk ook niet belast met BTW (inclusief bijbehorende transacties).[31]

Wel dient men goed bewust te zijn wanneer bijvoorbeeld een pizza wordt betaald met cryptovaluta de verkoper van de pizza wel omzetbelasting dient af te dragen. De prestatie is dan namelijk de pizza en niet bijvoorbeeld handel in cryptovaluta.

4. Het niet opgeven van cryptovaluta in de aangifte inkomstenbelasting

Wanneer de Belastingdienst erachter komt dat een bepaald vermogensbestanddeel niet is opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting, kunnen ze onder bepaalde voorwaarden de te weinig geheven belasting gaan navorderen en eventuele bijbehorende boetes opleggen. In het stuk hierna zal worden toegespitst op de situatie dat de cryptovaluta niet in box 3 zijn aangegeven.

Op grond van artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen kan in beginsel kan tot vijf jaar nadat de belastingschuld is ontstaan worden nagevorderd. Wanneer sprake is van een buitenlands voorwerp kan zelfs tot twaalf jaren na het ontstaan van de belastingschuld worden teruggevorderd. Aangezien cryptovaluta zowel niet binnenlands als buitenlands vermogen zijn, kan aan de hand van het object zelf geen termijn worden gegeven. Al is de ratio van de twaalfjaarstermijn wel passend bij cryptovaluta.

Wanneer naar de wettekst wordt gekeken is artikel 16 lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen de term ‘in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen’ moeilijk te rijmen met bepaalde situaties. Wanneer bij een Nederlandse beurs bepaalde cryptovaluta worden gekocht en deze bewaard worden in Nederland op een zogenaamde ‘cold storage’ dan is het naar mijn mening moeilijk pleitbaar dat het bestandsdeel in het buitenland is opgekomen of wordt gehouden. In de jurisprudentie is al wel beantwoord dat de vraag waar het voordeel is opgekomen, de oorsprong van dat voordeel niet doorslaggevend is.[32] Tevens is de plaats waar het voordeel wordt uitbetaald of de plaats waar het beheer plaatsvindt niet beslissend.[33] Het is vooral van belang dat de uit het buitenland stammende inkomen door de wijze waarop de belastingplichtige deze laat uitbetalen, buiten het zicht van de Belastingdienst is gebleven.[34] Zo bevallen bijvoorbeeld inkomsten uit het buitenland die door de debiteur op de Nederlandse bankrekening worden geboekt, niet onder de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar.

Met betrekking voor cryptovaluta lijkt naar mijn mening de vraag te liggen, waar de aankoop plaatsvindt en de verkoop. Wanneer vanuit de Nederlandse bankrekening cryptovaluta worden gekocht bij een Nederlandse beurs en deze enkele jaren niet in de aangifte worden opgegeven en vervolgens worden verkocht en daardoor weer ‘zichtbaar’ worden op de bankrekening, dan is naar mijn mening sprake van de vijf jaar navorderingstermijn. Het vermogen heeft in geen enkel opzicht het buitenland geraakt. Al zal het lastig blijven om de wallets van cryptovaluta inzichtelijk te krijgen voor de Belastingdienst en vervolgens ook nog aan een persoon te koppelen.

Op grond van artikel 67e Algemene wet inzake rijksbelastingen kan een boete worden opgelegd als het aan opzet of grove schuld te wijten is, dat een aanslag te laag is vastgesteld. De boete is ten hoogste 100% van het bedrag van de aanslag voor verliesverrekening. Wanneer het echter om box 3 vermogen gaat, kan aldus artikel 67e lid 6 Algemene wet inzake rijksbelastingen een boete van ten hoogste 300% van de daarover verschuldigde belasting worden opgelegd.

Een boete is altijd maatwerk, dus het is niet zo dat in alle gevallen de 300%-boete zal worden opgelegd. In paragraaf 27, lid 6 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst staat dat een vergrijpboete van 75% wordt opgelegd in geval van grove schuld en 150% in geval van opzet.

5. Conclusie

De werking van cryptovaluta

Cryptovaluta functioneren als digitaal geld, wat het beste te vergelijken is met giraal geld. Het grote verschil tussen de meeste cryptovaluta en andere valuta’s is dat (de meeste) cryptovaluta gedecentraliseerd zijn. Bijna alle cryptovaluta vallen onder het fiduciaire geld.[35] Dit geld heeft geen onderliggende waarde, zoals bijvoorbeeld de goudvoorraad bij een bank. De waarde van het geld is puur op vertrouwen gebaseerd.

 

Juridische aspecten

Een Nederlandse rechtbank heeft in een civiele procedure al geconcludeerd dat de Bitcoin niet onder giraal geld valt, omdat de verbintenisrechtelijke verhouding ontbreekt.[36] In deze rechtbankprocedure wordt ook aangehaald dat de Minister van Financiën van mening is dat de Bitcoin geen wettig betaalmiddel is en het niet onder de Wet financieel toezicht valt.[37] De conclusie van de rechter is dat het beschouwd dient te worden als ruilmiddel.

 

De behandeling van cryptovaluta in de inkomstenbelasting

Een miner die uit puur hobbymotief enkele cryptovaluta mined, en deze in zijn wallet bewaard, kan al in box 1 belast worden; er wordt namelijk deelgenomen aan het economisch verkeer (door het ontvangen van transactievergoedingen) en voordeel wordt beoogd. Het kan wel stuklopen op de vraag of het voordeel ook te verwachten valt, wanneer dit niet het geval is dan zullen de cryptovaluta in box 3 worden belast. Bij puur speculatieve transacties is normaliter geen voordele te verwachten.[38] Bij de meeste cryptovaluta is sprake van een hoge volatiliteit, daardoor blijft ook de vraag of het voordeel wel redelijk te verwachten is, in het midden hangen.

Wanneer de miner regelmatig zijn cryptovaluta direct verkoopt na het ontvangst ervan, dan zal het mogelijk wel in box 1 belast zijn omdat het valutarisico wordt beperkt doordat de voorraad cryptovaluta niet lang wordt aangehouden. Daardoor is mogelijk het voordeel wel te verwachten.

Doordat een handelaar meestal met een inkoop- en verkoopmarge werkt, zal deze snel voldoen aan de drie bronvereisten. De vraag of het voordeel te verwachten is, wordt beperkt doordat met een marge wordt gewerkt. Gaat de inkoopprijs omhoog, dan zal ook de verkoopprijs stijgen. Wanneer sprake is van bijvoorbeeld een website en zelfs een pand zou sprake van een onderneming kunnen zijn. Wel dient hier als kanttekening te worden geplaatst dat wanneer sprake is van normaal vermogensbeheer de cryptovaluta in box 3 belast zullen zijn. De handelaar waarop hierboven wordt gedoeld, verricht actief arbeid om zo een inkomen te verwerven wat normaal vermogensbeheer te boven gaat.

Op de fiscale balans wordt in beginsel op de kostprijs gewaardeerd. Dat houdt in dat de waarde in euro’s ten tijde van de aankoop op de balans wordt gezet. Bij de meeste cryptovaluta is sprake van schommelingen in de waarde. Deze hoeven tussentijds niet in het resultaat te worden verwerkt. Pas bij de verkoop van de cryptovaluta zal een eventuele meerwaarde in het resultaat worden opgenomen.[39]

Wanneer sprake is van een handelaar in cryptovaluta, dan zullen de cryptovaluta als voorraad zijn aan te merken. Daar geldt dat gewaardeerd mag worden op aanschaffings- of voortbrengingskosten.

Wanneer cryptovaluta als belegging worden aangehouden, zullen deze dienen te worden opgegeven in box 3. In de inkomstenbelasting dient de waarde van de bezittingen op de peildatum, zijnde 1 januari van elk jaar, te worden opgegeven

Aangezien cryptovaluta erg onderhevig zijn aan koersschommelingen is niet eenduidig de waarde op 1 januari te bepalen. In de literatuur is betoogd door Putman dat het beste bij de gemiddelde prijs kan worden aangesloten op websites als BitcoinAverage en CoinMarketCap.[40]

 

De behandeling van cryptovaluta in de omzetbelasting

In het arrest van het Hof van Justitie van 22 oktober 2015 (Hedqvist) stond de vraag centraal of de aan- en verkoop van Bitcoins een BTW-belaste prestatie is. In de uitspraak werd geoordeeld dat deze dienst onder de vrijstelling van art. 135 lid 1 sub e van de Btw-richtlijn valt.[41] In de Nederlandse Wet op de Omzetbelasting 1968 is dat art. 11, lid 1, sub i: de vrijstelling voor betaalmiddelen en effecten.

Dit houdt in dat met betrekking tot de omzetbelasting de Bitcoin wordt gelijkgesteld met andere munteenheden. Andere munteenheden worden namelijk ook niet belast met BTW (inclusief bijbehorende transacties).[42]

Wel dient men goed bewust te zijn wanneer bijvoorbeeld een pizza wordt betaald met cryptovaluta de verkoper van de pizza wel omzetbelasting dient af te dragen. De prestatie is dan namelijk de pizza en niet bijvoorbeeld handel in cryptovaluta.

 

Het niet opgeven van cryptovaluta in de aangifte inkomstenbelasting

Wanneer de Belastingdienst erachter komt dat een bepaald vermogensbestanddeel niet is opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting, kunnen ze onder bepaalde voorwaarden de te weinig geheven belasting gaan navorderen en eventuele bijbehorende boetes opleggen.

Op grond van artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen kan in beginsel kan tot vijf jaar nadat de belastingschuld is ontstaan worden nagevorderd. Wanneer sprake is van een buitenlands voorwerp kan zelfs tot twaalf jaren na het ontstaan van de belastingschuld worden teruggevorderd.

Op grond van artikel 67e Algemene wet inzake rijksbelastingen kan een boete worden opgelegd als het aan opzet of grove schuld te wijten is dat een aanslag te laag is vastgesteld. De boete is ten hoogste 100% van het bedrag van de aanslag voor verliesverrekening. Wanneer het echter om box 3 vermogen gaat, kan aldus artikel 67e lid 6 Algemene wet inzake rijksbelastingen een boete van ten hoogste 300% van de daarover verschuldigde belasting worden opgelegd.

[1] Wat is bitcoin, ´Een definitie van de economie, het elektronische geld en de valuta bitcoin´, http://www.watisbitcoin.nl/beschrijving.php.

[2] Rb. Almelo 14 mei 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2667.

[3] Rb. Almelo 14 mei 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2667, r.o. 4.8.

[4] Richtlijn 2007/64/EG.

[5] K. Koningson, ´De bitcoin juridisch beschouwd´, 11 februari 2014, https://nord.legal/de-bitcoin-juridisch-beschouwd/.

[6] Rb. Almelo 14 mei 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2667.

[7] M. Zeegers, ‘Bitcoin; juridische en fiscale aspecten in beeld’, WFR 2015/329.

[8] M. Zeegers, ‘Bitcoin; juridische en fiscale aspecten in beeld’, WFR 2015/329.

[9] M. Zeegers, ‘Bitcoin; juridische en fiscale aspecten in beeld’, WFR 2015/329.

[10] HR 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8770.

[11] HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZC8134.

[12] D.A. Albregtse, Cursus belastingrecht inkomstenbelasting, Deventer: Wolters Kluwer 2017.

[13] A.C. Rijkers, Cursus belastingrecht inkomstenbelasting, Deventer: Wolters Kluwer 2017.

[14] HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:635.

[15] HR 30 maart 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2453.

[16] HR 18 mei 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3586.

[17] HR 6 april 1966, ECLI:NL:HR:1966:AX6912 en HR 10 juni 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0875.

[18] HR 15 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2860.

[19] HR 8 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8284.

[20] F.C.P. Putman, ‘Bitcoins en minen in de inkomstenbelasting’, VFP 2017/114.

[21] HvJ EU 22 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:718 (Hedqvist).

[22] M. E. van Hilten & H. W. M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer: Kluwer

2012, p. 62.

[23] M. E. van Hilten & H. W. M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer: Kluwer

2012, p. 64.

[24] HvJ EU 26 september 1996, C-230/94, ECLI:EU:C:1996:352 (Renate Enkler).

[25] M. E. van Hilten & H. W. M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer: Kluwer

2012, p. 65.

[26] TC, 12 oktober 1976, ECLI:NL:DETARCO:1976:AX3307.

[27] J.N.T. van Ditzhuijsen & N. Wenting, ‘Bitcoins: betalen met zelfgemaakt geld?’, BtwBrief 2014/39.

[28] J.N.T. van Ditzhuijsen & N. Wenting, ‘Bitcoins: betalen met zelfgemaakt geld?’, BtwBrief 2014/39.

[29] F.C.P. Putman, ‘Bitcoins en minen in de inkomstenbelasting’, VFP 2017/114.

[30] HvJ EU 22 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:718 (Hedqvist).

[31] Uitgezonderd bepaalde munten met verzamelwaarde.

[32] HR 2 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1375.

[33] HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5950 en HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2991.

[34] HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5950.

[35] Wat is bitcoin, ´Een definitie van de economie, het elektronische geld en de valuta bitcoin´, http://www.watisbitcoin.nl/beschrijving.php.

[36] Rb. Almelo 14 mei 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2667.

[37] Rb. Almelo 14 mei 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2667, r.o. 4.8.

[38] A.C. Rijkers, Cursus belastingrecht inkomstenbelasting, Deventer: Wolters Kluwer 2017.

[39] HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:635.

[40] F.C.P. Putman, ‘Bitcoins en minen in de inkomstenbelasting’, VFP 2017/114.

[41] HvJ EU 22 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:718 (Hedqvist).

[42] Uitgezonderd bepaalde munten met verzamelwaarde.

Onderwerpen: Administratie, Belastingadvies


Contactformulier

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.